‘Kut-Nederlanders’ zijn we allemaal.

Tegenwoordig woon ik wegens mijn nieuwe studie in Enschede. Een stad waar ik nog niet helemaal bekend mee ben. Om die reden dook ik – verspreid over de week – meerdere malen het centrum in om te ontdekken wat er te doen valt en welke plekken mij aanspreken. Door de introductiedagen bleek het geen uitdaging groepjes studenten tussen het winkelend publiek eruit te pikken. Een groep frisse studenten midden op het H.J. van Heekplein was bezig met het maken van een menselijke piramide. Niet iedereen was onder de indruk van de aspiranten. Twee jongvolwassen meiden passeerden mij terwijl één van de twee opmerkte: “Wat doen die nou weer dan? Kut Nederlanders”. Een zeer complexe uitspraak die mij nu al dagen bezighoudt.

Die uitspraak heeft indruk op me gemaakt en mijn stoffige brein aan het denken gezet. Het meisje (voor het gemak noemen we haar even ‘Fleur’) had namelijk een migratieachtergrond. Net als Deventer heeft Enschede een grote Turkse gemeenschap, waar Fleur deel van uitmaakt. Daarnaast maakt ze hoogstwaarschijnlijk mede deel uit van de Nederlandse samenleving en bezit ze de Nederlandse nationaliteit. Is het dan niet krom dat Fleur spreekt over ‘kut-Nederlanders’ terwijl ze zelf een Nederlander is?

Waar de haat vandaan komt, blijft mij onduidelijk. Ik vind het vreemd dat er veertig jaar na het gastarbeidersprogramma nog steeds sprake is van een ‘wij’ en een ‘zij’. Ondanks dat Fleur inmiddels de kleindochter is van de daadwerkelijke arbeidsmigrant, lijkt ze zich nog steeds niet kunnen identificeren met het Nederlandse volk. Daarnaast is haar accent ook opmerkelijk. Het klinkt namelijk alsof ze pas na haar tiende levensjaar Nederlands heeft geleerd en daarvoor nooit iets met de Nederlandse taal te maken heeft gehad.

Maar Wacht: dit verhaal kent twee kanten. Het is voor Turkse Nederlanders (en andere groeperingen) niet altijd even makkelijk deel te kunnen nemen aan de maatschappij. De NOS en andere media hebben al tig artikelen gepubliceerd over het kansloze solliciteren met een allochtone achternaam. Het is schandalig dat er zo’n angstcultuur heerst onder werkgevers; de angst voor het aannemen van een potentiële crimineel. Kennelijk is dat het plaatje dat wordt geschetst bij het lezen van een nette brief van een jonge enthousiaste Nederlander met een migratieachtergrond. Als ik een eigen bedrijf had, dan zou ik springen om werknemers uit andere culturen. Je kan van deze mensen heel veel leren op werkgebied en zo de gang van zaken binnen je bedrijf verbeteren. Zij zullen werkzaamheden misschien wel op een andere manier benaderen dan een Nederlander; een manier die veel efficiënter is. Daarnaast zorgen andere culturen voor diversiteit op de werkvloer en stimuleer je de integratie van deze mensen.

De andere kant van het verhaal mag zeker niet vergeten worden. Want wie heeft ervoor gezorgd dat meiden zoals Fleur opgroeien in een veilige omgeving? Wie heeft Fleur kennis laten maken met de pracht van de Nederlandse taal en cultuur? Daarnaast heb je het recht om te stemmen en openlijk je mening te geven zonder daarvoor in de gevangenis terecht te komen. Het slaat zéker nergens op dat er op de arbeidsmarkt gediscrimineerd wordt, maar bedenk ook dat dit een probleem is waar steeds meer over gesproken wordt en dat men beseft dat hier verandering in moet komen. Er mag daarom ook enige toenadering naar de Nederlandse cultuur worden verwacht van de jeugd met een migratieachtergrond. Ik heb het niet over de velen die dit allang doen, maar over de groep die met de pakken neerzit. Die groep moet nóg meer zijn stem laten horen en kritiek leveren over de slechte integratie. Dan doen wij, de inboorlingen van Nederland, dat ook. Ik begin alvast: Beste Nederlanders met een migratieachtergrond, jullie zijn óók Nederlanders. Behoud de trots van het vaderland, maar onthoud ook dat Nederland daar een onderdeel van is geworden.